Het alfabet van de stilte – recensies

12 juni , 2013

alfabetvds01

COBRA.BE

Een trieste soap over misbruik en doodzwijgen in de kerk. “Van den Broeck moduleert en voltooit waarmee Gerard Walschap was begonnen”.

Een bisschop en zijn neefje

Het centrale “fait divers” in de nieuwe roman van Walter van den Broeck, klinkt ieder van ons meer dan bekend in de oren. Een jonge misdienaar wordt door zijn oom, een priester die later tot bisschop wordt gewijd, herhaaldelijk verkracht. Tot de bom barst.

Misdienaar Jos is een beloftevolle wielrenner die zich, onverklaard voor de buitenwereld, als een lekke fietstube voelde leeglopen. Een opgedrongen huwelijk, de vrees voor aanraking door zijn eigen vrouw en de bijna miraculeuze geboorte van een dochter zijn het gevolg van het jaren verzwegen seksuele misbruik. Jos neemt een overdosis slaapmiddelen als deze oom bisschop (‘nonkel pispot’) wordt ontmaskerd.

Zijn dochter Kristien besluit een thesis over misbruik in de kerk te maken. Zij praat met allerlei mensen die, elk apart tijdens een interview met Kristien, als in een buiteling van bekentenissen hun verhaal vertellen. Het zijn verhalen van misbruik, ontgoocheling, chantage, cynisme, opstand en bevrijding. Een ongedekt potje wordt uiteindelijk de promotor bijna fataal. Hij wil de verhalen “in een brede context” verzuipen want hij heeft zelf boter op zijn hoofd.

Een trieste soap in een bruisende taal

‘Het alfabet van de stilte’ is als een trieste soap, een afwisseling van stemmen, die de hypocrisie en de ongerijmdheden in de seksuele moraal van de katholieke kerk en van het opgelegde priesterlijke celibaat, tot in hun onvermoede vertakkingen, in de verf zetten. Het verminkte leven van een seksueel misbruikte man, zijn onbevredigde vrouw die seksueel te laat ontwaakt, net als haar zuster die haar man en vier ongewenste kinderen verlaat om met een priester-leraar te “ontploffen”. Een idealistische pastoor die zich op het eind van zijn zelfverloochenend leven door pedofiele prelaten verraden voelt, net als Fernanda, “de gendarme” die zo lang de wandaden van haar broer de bisschop en het leed berokkend aan haar zoon verzwegen heeft.

Als in een soap worden allerlei situaties en facetten samengeperst in een kring van vrienden en familieleden. Maar anders dan in een soap is het Vlaamse Nederlands dat Walter van den Broeck gebruikt soepel, ongedwongen en meesterlijk: tegelijk grappig en krachtig, scherp en kritisch, levendig en volks. Uiteindelijk denk je niet aan “Thuis” maar aan een hedendaagse schrijver die moduleert en voltooit waarmee Gerard Walschap was begonnen.

Theorieën en afwegingen

Kristien wil met haar thesis het priestercelibaat als de belangrijkste oorzaak van de vele pedofiele misdaden aanklagen. Ze krijgt verhalen te horen die deze stelling bevestigen, maar ook andere. Er is de stem van de oude priester die in het celibaat en de opoffering geloofde en een misstap niet verwart met hypocriet recidivisme. Priester Verbiest hekelt de blinde veranderingsdwang in de kerk, die het mysterie en de schoonheid van de mis heeft verjaagd zonder de leegloop te hebben verhinderd. “Als ge als voorganger met uw rug naar het tabernakel staat, dan is ’t toch alsof ’t u niet kan schelen wat hij te vertellen heeft! Erger alsof hij niet welkom is in zijn eigen huis!” Zo had ik het nog niet bekeken. En de naoorlogse kerkklokken klinken precies als “de crème-boer die passeert”. Deze Verbiest werd bewust priester en geen voetballer, want “god is stilte, is werken, is werken in stilte zonder te winnen of te verliezen”. Bevattelijke en originele theorieën zijn altijd een waarmerk van Walter van den Broeck geweest. Professor De Vlieger legt uit hoe de barmhartige godsdienst van de christenen onder zijn “doelgroep” , de zwakkeren, de meeste slachtoffers heeft gemaakt. Hij vertelt over liederlijke pausen en over de veranderlijke status van het kind in onze maatschappij. Hij heeft vragen bij de mogelijk wraakzuchtige motieven van Kristien en bij de populistische verenging van de katholieke kerk tot een pedofiele machine.

De strijd tussen schijn en zijn

Het langste verhaal is dat van Bert De Necker “den trekker”, een vrolijke kleine drugsdealer die als een uilenspiegel grappen uithaalt en een centje bijverdient met seksueel dienstbetoon, waar seminaries en hoge prelaten gebruik van maken. De ontmaskering van het “Hogere” en liefdeswraak waren de motieven van deze gepensioneerde rijkswachter, die met een sinecure werd omgekocht toen hij te dicht het deksel van gevaarlijke potjes was genaderd. Bij monde van de belerende prof wijst Walter van den Broeck op “het grote zwijgen” als de oorzaak van allerlei kwaad, van kindermisbruik tot belastingontduiking. Het veranderde onze democratie in een vorm van kwalijke “kwebbelterreur”. En dat laat wie echt aan te touwtjes trekt toe om geruisloos te manipuleren. Alleen de kerk aanvallen is dan ook de ogen sluiten voor al de rest.

De aloude strijd tussen zijn en schijn, waar het schrijverschap van Van den Broeck om draait, vraagt om luciditeit en begrip, niet om zondebokken. En de directe en levendige volkstaal, gemoduleerd van cynisch tot grappig, van kwaad naar ontroerend, is daarvoor, zonder enige twijfel, een geschikt en geschakeerd instrument.

Johan De Haes

—————————————–

HUMO.BE

door (jm)

Zou de patserige knapenschender Roger Vangheluwe, nog even voor het slapengaan daar in het verborgene, weleens in ’t eigen hert kijken? Woont er in zijn hartkamers wel iets van mededogen, die schone katholieke deugd – ik durf het niet eens over spijt te hebben?

De antwoorden staan niet in ‘Het alfabet van de stilte’, de nieuwe, op de strapatsen van Vangheluwe en andere niet zo katholieke katholieken gebaseerde roman van Walter Van den Broeck. Dat is ook niet de bedoeling: Van den Broeck gebruikt de onverkwikkelijke affaire als laddertje om af te dalen in het devote drekpoeltje dat Vlaanderen eens was.

Hij vertelt zijn verhaal aan de hand van interviews die Kristien Daeleman, de fictieve achternicht van Vangheluwe (in het boek: ‘bisschop Van Groeneweghen’) binnen en buiten haar familie afneemt voor haar scriptie over kindermisbruik in de kerk. Maar veel meer dan een duik in de katholieke beerput is ‘Het alfabet van de stilte’ dus een schets van het bedompte, in de eigen navel verdwalende Vlaanderen van een handvol decennia geleden.

Wat meteen het enige is waar ik wat over viel: ik héb het al gelezen, het verhaal over mensenlevens die zich van wieg tot graf onder het oog van God afspeelden, over een volk van volgehouden schoneschijnerij en een conservatieve moraal, over mistoestanden die weggeredeneerd werden met oorverdovende stiltes.

But then again moet ik toegeven dat Van den Broeck het allemaal wel meesterlijk opgeschreven heeft. ‘Het alfabet van de stilte’ is de proeve van een schrijver die niet meer moet leren schrijven, én niet meer moet leren kijken en luisteren. Want het knapst aan deze roman is misschien nog wel de haast achteloze manier waarop Van den Broeck van stem switcht.

Het starre, ouwige geweeklaag van Fernanda, de zus van de bisschop. De meeslepende stream of consciousness van Bert, een heerlijk dubieuze verhalenverteller. De aangename vlotheid van Evelien, de tante van Kristien, die haar man inruilt voor de lust en de liefde van een pastoor.

De boze, onbegrijpende biecht van een andere pastoor die zich gebarebackt voelt door zijn collega’s en de zich van de kerk afkerende samenleving: ‘Ik wil mezelf van de wereld bidden.’ Van den Broeck schrijft het allemaal op in een voor elk personage zorgvuldig uitgeselecteerd Vlaams patois – het resultaat: waarachtigheid.

Tussen dat sappige beschrijven van de heimat laat Van den Broeck op gezette tijden die ene vraag terugkeren: is het celibaat verantwoordelijk voor de veelvuldige close reading van jongejongenslichamen door de clerus?

Overigens: zou Roger Vangheluwe, ‘verdwenen in de wijde mantelplooien van onze Moeder de Heilige Kerk’, daar in het verborgene weleens een boek lezen?